Er was eens een koning die vluchtte naar het beloofde land.
Hij kwam daar tot rust en genoot van wat hij zag, wat hij beleefde en de inspiratie die hij kreeg.
Op een dag nodigde hij twee andere koningen met hun koninginnen uit.
Op een zaterdag, in alle vroegte, vertrokken de twee koningen en koninginnen met hun koets naar het beloofde land.
Het land waar alles eindigt op ‘ski’ of ‘njet’.
Het land waar goederen meer als de helft goedkoper waren dan in hun eigen land.
Het land waar een kasteel stond, zo mooi, je geloofde je ogen niet.
Aangekomen in het kasteel dronken zij uit kelken en warmden zij zich aan het vuur.
Er werd gegeten en gelachen en nog meer gegeten en gedronken.
Moe maar voldaan, gingen zij later slapen in hun hemel-bedden.
Op dag 1 werden de koningen en koninginnen gewekt door de geur van eieren met spek en warme broodjes uit de oven.
Er werden boeken gelezen, kaartspelen gespeeld en genoten van natuur en kou.
Op dag twee wandelden de drie koningen en twee koninginnen. Zij leerden de omgeving kennen,
zagen restanten van vroeger tijden.
De wolken hingen laag en het was koud.
‘s Avonds warmden zij zich weer bij het haardvuur en de kaarten werden weer op tafel gelegd.
Op dag drie bracht de koets hen naar een dorp iets verder van het kasteel.
Daar werd bewonderd, gedroomd, gedronken en er werden inkopen gedaan om de huisraad aan te vullen.
Op dag vier was het voor xc3xa9xc3xa9n koning tijd om met zijn koningin weer terug naar hun eigen land te gaan.
Koffers werden ingepakt, de laatste groeten uitgesproken.
De koets werd ingeladen en daar gingen zij.
De koningin droomt nog steeds van het land, het kasteel, de omgeving en het warme gevoel in de kou.
‘Op een dag’, nam zij zich voor, ‘ga ik terug.’